Koekjes? Ik lust er pap van!

Het is zondagmiddag. Ik loop heen en weer van de keuken, naar mijn werkkamer boven. Ik start mijn laptop op, want mijn werk ligt op me te wachten. Ik loop weer naar beneden en zet koffie. Ik word geroepen door speculaasjes, die ik meteen pak en openmaak. Snel neem ik één van de twee apart verpakte stapel koekjes eruit en stop dit vervolgens snel onder mijn trui. Ik loop de trap op, schiet mijn kamer in en stop de koekjes in de van tevoren geopende la en sluit het snel. Ondertussen knijp ik in een als vuilniszak dienende witte plastic zak samen. Om het krakende geluid van de in plastic verpakte koekjes te dempen. Voor wie eigenlijk? Er is immers niemand in deze kamer. Ik schiet in de lach, maar laat het er toch in zitten. Je weet immers nooit of er onverwacht iemand mijn kamer binnenstormt. Mijn zoon zit namelijk slechts twee deuren en zes en halve meter bij me vandaan. Snel loop ik naar beneden om de koffie te halen en ga weer naar boven. Ik heb zin om te schrijven. Het is al weer een paar dagen geleden, dat ik mijn dagelijkse shot schrijfinspiratie aan het papier heb toevertrouwd.

Net als ik mijn kamer in wil gaan, gaat de deur van mijn zoons kamer open. Ik schrik, mijn hart slaat net niet over. Maar op één of andere manier, voel ik me betrapt en verschiet ik van kleur.

‘Schrok je?’ zegt hij met een grijns op zijn gezicht.

‘Ja, ik schrok.’

‘Waarom?’

‘Ehm ja, waarom eigenlijk,’ zeg ik, ‘geen idee, jongen. Wil je wat vertellen?’

‘Nee, maar ik hoorde je ze vaak heen en weer lopen. Heb je wat lekkers gepakt?’

Ik voel dat ik roder word en kijk naar m’n handen.

‘Ik heb koffie. Wil je ook?’

‘Jakkes, nee! Heb je niks anders?’

‘Helaas niet,’ zeg ik, ‘maar je mag beneden gerust een koekje halen?’

‘Oké,’ en hij rent de trap af.

Oh alleen koffie? Liegbeest, zegt mijn innerlijke stem, zodra hij weg loopt. Ik vlucht naar mijn kamer, haal opgelucht adem en schenk koffie in. Mijn rode hoofd is hem blijkbaar niet opgevallen. Logisch, want dat fenomeen heb ik wel twintig keer per dag. Ik hang achterover in mijn draaistoel en wacht.

Eigenlijk zou ik meteen koekjes willen verorberen, maar ik wacht heel even tot ik mijn zoon weer achter zijn computer hoor typen. Wel open ik de la alvast een klein stukje, en ver genoeg om er met mijn hand in te kunnen. Ik zoek de ingang en draai het pak met de opening naar voren.

Met mijn oor die zogenaamd op de overloop ligt, om mogelijk ‘onheil’ aan te horen komen, glijd ik even later met mijn vingers in de verpakking en trek er voorzichtig een stuk of zes koekjes uit.

Het voelt als vroeger, toen ik stiekem bij de koekjestrommel van mijn moeder zat. En die keer dat ik zo vreselijk schrok toen ze onverwacht thuis kwam, dat ik van schrik een afgekloven koekje heb terug gestopt. Waarbij mijn boze moeder ons de volgende dag confronteerde met de vraag wie er bij de koekjestrommel heeft gezeten. Ze had de trommel namelijk nietsvermoedend voor de neus van het koffiebezoek gehouden en mijn half opgegeten koekje zien liggen… Gelukkig is dat nu niet aan de orde.

Ik kijk naar de koekjes die ik vasthoud. Ze zien er al jaren hetzelfde uit. Zouden ze nog steeds hetzelfde smaken? Ik ruik eraan, een mix van speculaas-en andere koekkruiden, dringen mijn neus binnen en nemen er langzaam, en geheel gewenst, bezit van. Ze vervolgen de route via de neusholte naar de smaakpapillen in mijn mond. En dít is ook mijn speekselklieren niet ontgaan, spontaan spuit elk kliertje een miniscuul golfje spuug mijn mondholte in.

Ik pak een koekje op en houdt het voor me. Het ruikt onweerstaanbaar. Ik weet dat ze normaliter niets zeggen, maar ik hoor ze allemaal heel even en keurig met twee woorden, tegen me praten: neem mij, nee mij en mij ook. Ik open mijn mond en bijt het allereerste stukje eraf. Oh wat goddelijk!

Het knapperige geluid klinkt me als muziek in de oren, de zachte, zoete smaak, laten mijn mond er langzaam uitzien als één grote koek. Vijf-en twintig koekjes heb ik vakkundig, als een volleerd koekkiesmonster, opgegeten en ben ik eindelijk zover dat ik in kan loggen.

Ik zucht en hang achterover in mijn stoel. Het begint inmiddels aardig donker te worden. De koffie staat onaangeroerd naast me, ik neem een grote slok en spuug het meteen terug. Bah, het is ijskoud! Ik grijp nogmaals in de la, maar voel slechts een paar kruimels en trek het zakje eruit. Ik verkreukel het en stop het diep onderin mijn afvalzak. Ik voel me doodmoe en begin te balen, dat ik de hele inhoud heb opgevreten. Ik heb voor de zoveelste keer spijt. Deze spijt is een gegronde reden om het andere pak ook op te eten. Maar… doe het niet!

(c)Tini Lubberink, 12-2012

Reageer door HIER te klikken!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s